|
Structurele afbouw van het overheidstekort in lijn
met de Europese aanbevelingen
In het kader van de procedure bij buitensporige
tekorten, beveelt de Europese Raad de Belgische overheid aan het
structureel tekort met gemiddeld 0,75 % van het bbp per jaar af te
bouwen over de periode 2010-2012.
Het voorgestelde traject voorziet in een
gecumuleerde structurele verbetering van het vorderingensaldo met 1,5 %
over de periode 2010-2012.
Belangrijk hierbij is dat voor 2012
niet-structurele factoren het vorderingensaldo zullen beïnvloeden,
terwijl ze in de methodologie van de Europese commissie niet als
tijdelijke factoren in aanmerking worden genomen. Het betreft met name:
· het effect van de relatieve prijzen, die de
overheidsfinanciën in 2012 ongunstig beïnvloeden, gelet op de
versnelde inflatie in 2011; die uitgestelde effecten van de inflatie
komen vooral tot uiting bij de overheidsuitgaven en de sociale
uitkeringen alsook bij de ontvangsten inzake personenbelasting
wegens de uitgestelde indexering van de belastingschalen;
· het effect van de electorale cyclus van de
plaatselijke overheden ten belope van 0,2 à 0,3 % van het bbp; deze
factor beïnvloedt hoofdzakelijk de investeringen van dit
overheidsniveau.
Overigens, zolang de economische groei rond de
potentiële groei schommelt, engageert de regering zich uitdrukkelijk om
in 2012 aan de voorwaarden te voldoen die toelaten om een einde te maken
aan de procedure van buitensporige tekorten.
Over de periode 2013-2014 zou de structurele
verbetering van het vorderingensaldo 1,4 % bedragen, overeenkomstig de
eisen van de Europese raad.
TABEL
17
Samenstelling van het structureel
vorderingensaldo |
|
In % bbp |
2009 |
2010 |
2011 |
2012 |
2013 |
2014 |
|
1. Bbp-groei tegen constante prijzen
|
-2,8 |
2,1 |
2,0 |
2,3 |
2,1 |
2,3 |
|
2. Werkelijk vorderingensaldo |
-6,0 |
-4,1 |
-3,6 |
-2,8 |
-1,8 |
-0,8 |
|
3. Rentelasten |
3,6 |
3,4 |
3,5 |
3,6 |
3,7 |
3,7 |
|
4. Eenmalige en andere tijdelijke maatregelen
|
-0,9 |
-0,1 |
0,0 |
-0,1 |
0,0 |
0,0 |
|
5. Potentiële bbp-groei
|
1,4 |
1,5 |
1,6 |
1,6 |
1,7 |
1,8 |
| |
Bijdrage tot de potentiële groei: |
| |
-
arbeid |
0,5 |
0,5 |
0,5 |
0,4 |
0,4 |
0,4 |
| |
-
kapitaal |
0,3 |
0,3 |
0,4 |
0,5 |
0,4 |
0,5 |
| |
-
totale factorproductiviteit |
0,5 |
0,5 |
0,6 |
0,7 |
0,8 |
0,8 |
|
6. Output gap |
-3,1 |
-2,7 |
-2,2 |
-1,6 |
-1,2 |
-0,6 |
|
7. Cyclische component van de begroting
|
-1,7 |
-1,4 |
-1,2 |
-0,8 |
-0,6 |
-0,3 |
|
8. Cyclisch gecorrigeerd vorderingensaldo (2-7)
|
-4,3 |
-2,7 |
-2,4 |
-2,0 |
-1,2 |
-0,5 |
|
9. Cyclisch gecorrigeerd primair saldo (8+3)
|
-0,7 |
0,7 |
1,1 |
1,6 |
2,5 |
3,2 |
|
10. Structureel saldo (8-4)
|
-3,4 |
-2,6 |
-2,4 |
-1,9 |
-1,2 |
-0,5 |
De structurele component van het vorderingensaldo
is gebaseerd op een gemiddelde raming van de potentiële groei van 1,6 %
over de periode 2010-2012 en van 1,8 % over de periode 2013-2015. Op te
merken valt dat die macro-economische variabele lager blijft dan de
potentiële groei vóór de financiële crisis, die rond 2 % schommelde. De
financiële crisis heeft de potentiële groei inderdaad blijvend
aangetast, onder meer via een daling van de kapitaalvoorraad en een
stijging van de structurele werkloosheid, die zich uit in een verlies
van menselijk kapitaal.
Die ramingen blijven evenwel heel onzeker, onder
meer wegens de mogelijke impact van de economische en financiële crisis
op de potentiële groei van de economie. Voorts hangt de mate waarin de
daling van de potentiële groei ingevolge de financiële crisis en de
vergrijzing van de bevolking structureel en permanent zal zijn, af van
de maatregelen op het vlak van economisch beleid die de verschillende
beleidsniveaus nemen en zullen nemen. In die context heeft de Belgische
overheid de ambitie om enerzijds de werkgelegenheidsgraad blijvend op te
trekken en anderzijds de maatregelen ter bevordering van R&D-uitgaven in
het kader van de strategie EU2020 te versterken (zie nationaal
hervormingsprogramma). Die maatregelen zouden het mogelijk moeten maken
de potentiële groei van de Belgische economie duurzaam te ondersteunen.
Voorts blijft de Belgische overheid de ambitie
koesteren om zo snel mogelijk de MTO te halen, namelijk 0,5 %, en aldus
een deel van de vergrijzingskosten te prefinancieren. De MTO beperkt er
zich dus niet toe louter het structureel evenwicht van de
overheidsfinanciën te herstellen maar wel op een structurele manier
overschotten te boeken. De Belgische overheid is immers van oordeel dat
het van essentieel belang is de vergrijzingskosten een billijke manier
te verdelen tussen de generaties teneinde te voorkomen dat de
toekomstige generaties een onevenredig zware last moeten dragen.
|