NL  |   | 
Contact | Help | Sitemap       Zoeken:   Search .be

Belgisch Stabiliteitsprogramma

2011 - 2014

 

U bent hier : Belgisch Stabiliteitsprogramma breadcrumb image Traject 2011-2014 breadcrumb image Verdeling van de inspanning onder de entiteiten


Verdeling van de inspanning onder de entiteiten

In een institutionele structuur zoals België waar heel wat bevoegdheden en financiële middelen gedecentraliseerd zijn, komt het erop aan de budgettaire saneringsinspanning optimaal te verdelen. Dit is trouwens een eis van de Europese Commissie.

Het is evenwel zo dat in de huidige politieke context, die wordt gekenmerkt door enerzijds de lopende zaken en anderzijds de institutionele onderhandelingen die er met name op gericht zijn de financiële stromen tussen de federale Staat en de gefedereerde entiteiten(1) te herzien, de federale regering zich niet kan uitspreken over de verdeling van de inspanning tussen de beleidsniveaus. Ze kan in dat verband enkel verwijzen naar de aanbevelingen van de Hoge Raad van Financiën (HRF) terzake. De door de Hoge Raad voorgestelde verdeelsleutel komt overeen met het respectieve aandeel van elke entiteit in de totale primaire uitgaven van de overheid. Die sleutel bedraagt voor Entiteit I en II respectievelijk 65 en 35 %.

TABEL 16
Vorderingensaldo per entiteit voorgesteld door de Hoge Raad van Financiën

Als % bbp 2010 2011 2012 2013 2014
Gezamenlijke overheid -4,6 -3,7 -2,8 -1,8 -0,8
Entiteit I -3,4 -3,2 -2,5 -2,0 -1,6
Entiteit II -1,1 -0,5 -0,4 0,2 0,8
Bron : Hoge Raad van Financiën (2011)

Voor de periode 2011-2012 beantwoordt de door de HRF voorgestelde verdeling van de inspanning aan de doelstellingen die de gefedereerde entiteiten zich in hun respectieve meerjarenbegroting hebben gesteld.

Voor 2013 stelt de HRF een bijkomende inspanning voorop van 0,1 % ten opzichte van het door de gefedereerde entiteiten bepaalde traject; die inspanning zou mogelijk worden gemaakt door de extra financiële middelen die dat beleidsniveau van de federale overheid zal ontvangen krachtens de bijzondere financieringswet ingevolge de betere economische parameters, en die nog niet integraal in rekening werden gebracht door de gefedereerde entiteiten.

Vanaf 2014 levert de door de HRF vooropgezette verdeling van de saneringsinspanning m.b.t. de overheidsfinanciën een groeiend asymmetrisch traject op, in die zin dat Entiteit I zich tevreden zou kunnen stellen met een tekort van 1,6 % terwijl Entiteit II begrotingsoverschotten zou moeten accumuleren ten belope van 0,8 % van het bbp in 2014. De HRF stelt dat die asymmetrie geenszins het resultaat is van een divergerend begrotingsbeleid van de verschillende beleidsniveaus, maar dat ze gewoonweg voortvloeit uit het feit dat 90 % van de vergrijzingskosten en 100% van de rentelasten van de historische overheidsschuld voor rekening van Entiteit I zijn.

Volgens de HRF is die schijnbare asymmetrie van de verwachte effectieve begrotingstrajecten ver van optimaal. Hij is van oordeel dat een duurzame sanering van de overheidsfinanciën onmogelijk is zonder een diepgaande hervorming van de huidige financieringsstromen en het institutionele kader. Dit is een van de grote uitdagingen van de lopende institutionele onderhandelingen. Deze herziening moet volgens de Hoge Raad van Financiën een hogere responsabilisering van de verschillende beleidsniveaus toelaten, net als een versterking van de budgettaire houdbaarheid van de federale overheid die het overgrote deel van de last van de overheidsschuld draagt, en een houdbare convergentie van de overheidssaldi.

Wat de lokale overheden betreft, voorzag het samenwerkingsakkoord van september 2009 tussen de federale Staat en de Gewesten (toezichthoudende overheid) op termijn in een strikte naleving van de Europese boekhoudnormen ESR95. Dit akkoord vond een eerste concretisering in de herziening door het INR van de rekeningen van de plaatselijke besturen (zie Focus pp. 14-15). Dankzij die nieuwe geharmoniseerde statistieken zouden de Gewesten in staat moeten zijn hun toezicht op de plaatselijke besturen te verbeteren. Zo heeft de Vlaamse regering, in het verlengde van het samenwerkingsakkoord, onlangs het “golden rule”-principe aangenomen waarbij wordt voorzien in een structureel evenwicht van de rekeningen van de lokale overheden over de hele duur van de gemeentelijke legislatuur (teneinde rekening te houden met de investeringscyclus van de lokale overheden).

Wat het Waals Gewest betreft; stelt artikel L1314-1 van de code voor lokale democratie en decentralisatie dat de uitgaven- en ontvangstenbegroting van de gemeenten in geen geval een gewoon of buitengewoon tekort noch een fictief evenwicht of een fictief overschot mag vertonen. Gelet op de investeringscyclus zou die norm moeten resulteren in een ESRevenwicht op meerjarenbasis.

Wat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreft, legt artikel 252 van de Nieuwe Gemeentewet een evenwicht, zowel in de begroting als in de rekeningen, op voor zowel de gewone als de buitengewone dienst. Dit evenwicht wordt door de lokale besturen strikt nageleefd met de hulp van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest dat -met het akkoord van de Federale Overheid om deze operatie te neutraliseren- elk jaar 30 miljoen euro injecteert om het tekort van de gemeenten weg te werken. Dit budgettair principe en de hulp van het Gewest zouden de lokale besturen in staat moeten stellen over de duur van een gemeentelijke legislatuur naar het evenwicht te streven.


    (1)  Bij deze onderhandelingen wordt onder meer bijzondere aandacht besteed aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest als
    gevolg van de door hem aangebrachte vaststelling van een structurele onderfinanciering ervan.

Laatste wijziging : 11-07-2011
 

©2006 Belgian Federal Government  | Disclaimer |  Privacy