|
Begrotingsresultaten 2010
Het vorderingensaldo
Volgens de eerste ramingen van het INR van 31
maart laatstleden, zijn de begrotingsresultaten 2010 merkelijk beter dan
de doelstellingen die de Belgische overheid in 2010 had vooropgesteld,
namelijk een vorderingensaldo van -4,1% van het bbp tegenover -4,8 % van
het bbp zoals aanvankelijk voorzien.
Ten opzichte van 2009 (-5,9% van het bbp)
verbetert het overheidssaldo aldus met 1,8 procentpunt in 2010, wat
meteen een einde maakt aan de verslechtering van de Belgische
overheidsfinanciën die in 2007 was ingezet. Bovendien lijkt deze
verbetering beduidend gunstiger dan de gemiddelde verbetering binnen de
eurozone (0% van het bbp)(1).
|
TABEL 5
Evolutie van het vorderingsaldo (in % van het bbp) |
| |
Vorderingensaldo als % van
het bbp |
Verschil
|
| |
2009 |
2010 |
|
|
|
|
Stabiliteits-programma |
NBB - Jaarverslag 2010 |
INR |
|
|
|
Gerealiseerd |
Januari 2010 |
Raming (februari 2011) |
Gerealiseerd (maart 2011) |
Gerealiseerd 2010 vs. 2009 |
Gerealiseerd 2010 vs.
Stabiliteits-programma |
|
Gezamenlijke overheid |
-5,9% |
-4,8% |
-4,6% |
-4,1% |
1,8% |
0,7% |
|
Entiteit I |
-5,0% |
-3,8% |
-3,4% |
-3,2% |
1,8% |
0,6% |
|
+ Federale overheid |
-4,2% |
-3,3% |
-3,3% |
-3,1% |
1,1% |
0,2% |
|
+ Sociale zekerheid |
-0,8% |
-0,5% |
-0,2% |
-0,1% |
0,7% |
0,4% |
|
Entiteit II |
-0,9% |
-1,0% |
-1,1% |
-0,9% |
0,0% |
0,1% |
|
+ Gemeenschappen en gewesten |
-0,8% |
-0,6% |
-0,8% |
-0,7% |
0,1% |
-0,1% |
|
+ Lokale overheden |
-0,1% |
-0,4% |
-0,4% |
-0,2% |
-0,1% |
0,2% |
|
Schuld (definitie Maastricht) |
96,2% |
100,6% |
97,5% |
96,8% |
0,6% |
-3,8% |
|
Bron: Instituut voor de
Nationale Rekeningen, Nationale Bank van België. |
De evolutie van het vorderingensaldo in 2010 komt
voornamelijk voort uit:
1) de gevoelige verbetering van de
economische groei;
2) de tenuitvoerlegging van een
meerjarenbegroting op het niveau van Entiteit I en
besparingsmaatregelen op het niveau van de gefedereerde entiteiten;
3) een behoedzaam begrotingsbeleid;
4) een neerwaartse herziening van het tekort
van de lokale overheden als gevolg van de verbeterde kwaliteit van
hun rekeningen.
|
TABEL 6
Evolutie van het
vorderingensaldo in 2010 en van de economische groei |
|
Als % bbp |
Economische groei |
Vorderingensaldo 2010 |
|
Aanvulling stabiliteitsprogramma
(september 2009) |
0,4% |
-6,0% |
|
Begroting 2010-2011 (oktober
2009) |
0,4% |
-5,4% |
|
Stabiliteitsprogramma (januari
2010)+ begrotingscontrole (maart 2010) |
1,1% |
-4,8% |
|
Gerealiseerd (maart 2011) |
2,1% |
-4,1% |
Volgens de eerste beschikbare ramingen van de
nationale rekeningen bedroeg de economische groei 2,1%, terwijl in het
stabiliteitsprogramma van januari 2010 een groei van 1,1% was
vooropgezet. De Belgische overheid heeft dus duidelijk zijn toezegging
waargemaakt om de gunstige gevolgen van de gunstigere economische groei
aan te wenden om het tekort en de overheidsschuld af te bouwen.
Die verbetering van het economisch klimaat is
niet het enige element dat heeft bijgedragen tot de grote daling van het
vorderingensaldo, temeer daar in 2010 de economische groei voornamelijk
getrokken werd door de buitenlandse vraag, die minder
belastingontvangsten meebrengt.
Uit deze betere resultaten blijkt namelijk ook de
behoedzaamheid die de regering aan de dag heeft gelegd bij het maken van
haar ramingen en bij het opstellen van de meerjarenbegroting 2010-2011
in oktober 2009. De regering heeft gekozen voor een eerder behoudende
aanpak, aangezien niet alle gekende onderbenuttingen van de uitgaven in
de begroting werden meegerekend. Zo kon de regering onrechtstreeks
buffers inbouwen waarmee ze eventuele ongunstige ontwikkelingen kan
opvangen.
Zoals gedetailleerd uitgelegd in het
stabiliteitsprogramma 2010, betreffen de voornaamste
saneringsmaatregelen voor de overheidsfinanciën in 2010-2011:
1) aanzienlijke efficiëntiewinsten bij het
overheidsapparaat. Die inspanningen werpen stilaan vruchten af; de
maatregelen in verband met het federaal overheidspersoneel leiden
tot een daling met 5% van het personeelsbestand over de periode
2008-2011; voorts daalden in 2010 de uitgaven voor wedden met 0,3 %
in reële termen voor de gezamenlijke overheid en met 1,8 % voor de
federale overheid (zie punt 7.3.2);
2) besparingen in de gezondheidszorg en een
controle op de uitgaven in deze sector; ondanks wettelijke groeinorm
van 4,5 % in reële termen, bedraagt de reële groei in de
gezondheidszorg 0,5 % in 2010;
3) een milieubewuste fiscaliteit. Hiertoe
heeft de regering onder meer beslist de gebruikers van
bedrijfsvoertuigen bewust te maken van de CO2-uitstoot van de
gekozen wagens (belasting van het voordeel in de personenbelasting
en variabele aftrek in de vennootschapsbelasting, naargelang van de
CO2-uitstoot). Ook het cliquetsysteem voor diesel werd verlengd.
Bovendien werden de buitenkanseffecten geschrapt in de maatregelen
ter bevordering van energiebesparende investeringen (beperking van
een aanzienlijk deel van de belastingvoordelen tot woningen van
minstens 5 jaar oud);
4) een bijdrage van de financiële sector als
antwoord op de steun die de Belgische overheid gedurende de
financiële crisis heeft toegekend; deze bijdrage lijkt hoger uit te
vallen dan wat aanvankelijk werd verwacht omdat de ontwikkeling van
de deposito's gunstiger is (+26 miljoen in 2010 en +150 miljoen in
2011);
5) grote inspanningen om de sociale en
fiscale fraude terug te dringen (zie hoofdstuk 7.3.1).
|
TABEL 7
Samenvatting van
de maatregelen genomen in de meerjarenbegroting 2010-2011 op
het vlak van Entiteit I |
|
In miljoen EUR |
2009 |
2010 |
|
Uitgaven |
|
|
|
Primaire uitgaven |
|
|
|
Personeelsuitgaven |
100 |
100 |
|
Andere |
100 |
100 |
|
Sociale zekerheid |
|
|
|
Gezondheidszorg |
956 |
1093 |
|
Andere |
107 |
141 |
|
Inkomsten |
|
|
|
Energiebelastingen |
376 |
531 |
|
Taksen
op tabak |
59 |
118 |
|
Andere |
257 |
249 |
|
Andere |
|
|
|
Fiscale en sociale fraude |
172 |
365 |
|
Financiële sector |
245 |
751 |
|
Energie |
235 |
235 |
|
Totaal |
2607 |
3683 |
|
als % van het bbp |
0,8 |
1,0 |
|
Focus: Verbeterde kwaliteit van de
rekeningen van de lokale overheden
De verbeterde begrotingsresultaten voor 2010 in
vergelijking met de vorige ramingen wordt onder meer verklaard door een
neerwaartse herziening van het tekort van de lokale overheden (van -1
313 miljoen EUR naar -612 miljoen). Deze herziening is een eerste
concretisering van het samenwerkingsakkoord dat de federale Staat en de
Gewesten in september 2009 hebben gesloten. Dit voorzag in de oprichting
van een werkgroep met het Instituut voor de Nationale Rekeningen (INR)
en de Gewesten, die het toezicht uitoefenen op de lokale overheden, om
de ESR95-regels toe te passen op de rekeningen van de lokale overheden.
Op basis van de nieuwe volledige gegevens van de
toezichthouders van de lokale overheden over de rekeningen van de
gemeenten in het land voor het jaar 2009 en van de Vlaamse gemeenten
voor de vorige jaren, heeft het INR de berekening van de investeringen
van de gemeenten voor de periode 2004-2009 gewijzigd. Voorheen werden de
investeringsuitgaven van de gemeenten voor deze periode geraamd op basis
van vastleggingen in de rekeningen van het eigenlijke boekjaar. Op die
manier vermeden de gemeenten weliswaar veelvuldige boekingen ingevolge
de inaanmerkingneming van alle vastleggingen in de rekeningen van het
globale boekjaar, maar die werkwijze zorgde ook voor een vertekening in
de tijd aangezien de investeringen werden geboekt op het ogenblik waarop
de overheidsopdracht werd ondertekend en niet op het moment waarop hij
daadwerkelijk werd uitgevoerd. Voortaan worden de investeringen van de
gemeenten geraamd op basis van de aanrekeningen in de rekeningen van het
globale boekjaar.
In de komende maanden zullen het INR en de
gewesten deze werkzaamheden voortzetten om de kwaliteit van de
statistische gegevens van de rekeningen van de lokale overheden te
verbeteren en zo te beantwoorden aan de vereisten van Eurostat in deze
aangelegenheid.
|
Hoewel er sinds 26 april 2010 geen volwaardige
federale regering is, toch blijven de overheidsfinanciën onder controle,
onder meer dankzij een strikte opvolging van de evolutie van de uitgaven
en de ontvangsten. De federale overheid tekende in 2010 een klein
primair tekort op van 0,1% van het bbp, na een tekort van 0,8% in 2009.
Gelet op de nervositeit die momenteel heerst op
de financiële markten, de procedure bij buitensporige tekorten die tegen
België is ingezet en de nog steeds hoge schuldgraad, heeft de federale
overheid op 7 mei 2010 beslist verschillende maatregelen ten uitvoer te
leggen om zich ervan te vergewissen dat de Belgische overheidsfinanciën
onder controle blijven:
· oprichting van een monitoringcomité.
Het is samengesteld uit vertegenwoordigers van de voorzitters van de
FOD's Financiën, Sociale Zekerheid en Begroting. Het comité is
bedoeld om regelmatig de begrotingsontwikkelingen op te volgen en
daarover te rapporteren aan de minister van en de staatssecretaris
voor Begroting en aan de regering.
· invoering van een procedure voor
begrotingsdiscipline: volgens deze procedure moeten alle nieuwe
uitgaven van de federale overheidsdiensten met een budgettaire
kostprijs van meer dan 31.000 EUR zonder btw ter goedkeuring aan de
Ministerraad worden voorgelegd. Enkel de maatregelen die
noodzakelijk zijn voor de goede werking van de departementen krijgen
een gunstig advies. Deze procedure zorgt er dus voor dat de groei
van de primaire uitgaven van de federale Staat wordt afgeremd.
Evolutie van ontvangsten en uitgaven
De verbetering van het saldo tussen 2009 en 2010
is het resultaat zowel van een daling van de uitgaven met (-1,0 % van
het bbp) als van een stijging van de totale ontvangsten (+0,8% van het
bbp).
Grafiek 3: Voornaamste factoren voor de
verbetering van het saldo in 2010 (in % van het bbp)

Bron: Instituut voor de Nationale Rekeningen
(2011)
De primaire uitgaven daalden met 0,8 procentpunt
tot 49,6 % van het bbp in 2010. De rentelasten daalden dan weer met 0,2
procentpunt tot 3,4 % van het bbp, dankzij een sterke daling van de
rentevoeten op de financiële markten en een actief schuldbeheer.
De lonen (-0,3 % van het bbp) en de sociale
prestaties (-0,2 % van het bbp) waren goed voor de helft van de daling
van de uitgaven. Deze resultaten wijzen erop dat de
besparingsmaatregelen inzake personeel en de efficiëntiewinsten bij de
overheid, samen met de controlemaatregelen inzake
gezondheidszorguitgaven vruchten hebben afgeworpen.
De kapitaaluitgaven waren goed voor de andere
helft. Ze daalden met -0,5 % van het bbp. In 2009 waren ze nog beïnvloed
door de terugbetaling, op last van de rechtbank, van sommige belastingen
die indertijd onrechtmatig waren geïnd enerzijds bij bedrijven die
dividenden van filialen van buitenlandse filialen ontvingen en
anderzijds bij gehuwde werklozen.
|
TABEL 8
Groei in reële
termen van de primaire uitgaven * |
|
Verschil met het voorgaande
jaar in % |
2009 |
2010 |
|
Totaal primaire uitgaven |
7,2 |
-0,2 |
|
Lonen |
4,1 |
-0,3 |
|
waarvan op federaal niveau |
1,9 |
-1,8 |
|
Sociale prestaties |
7,2 |
0,7 |
|
pensioenen |
6,0 |
0,9 |
|
werkloosheid |
19,5 |
-3,2 |
|
invaliditeit |
8,6 |
6,0 |
|
gezondheidszorg |
7,3 |
0,5 |
|
p.m. economische groei |
-2,9 |
2,1 |
|
* gedesindexeerd aan de hand van
de geharmoniseerde index van de consumptieprijzen |
|
Bron: Instituut voor de
Nationale Rekeningen |
Met een daling van de primaire uitgaven in reële
termen met 0,2%, beantwoordt België aan de Europese aanbevelingen, meer
bepaald aan de Annual Growth Survey, die bepaalt dat, voor lidstaten
tegen wie een procedure bij buitensporige tekorten loopt, de reële groei
van de uitgaven lager moet zijn dan de groei van het bbp. In 2010 werd
een verschil opgetekend van 2,3% tussen het groeipercentage van het bbp
en de groei van de primaire uitgaven.
De ontvangsten van hun kant stegen met 0,8 % van
het bbp tot 48,9 % van het bbp. De groei van de ontvangsten is te danken
aan de evolutie zowel van de parafiscale en de fiscale ontvangsten (0,5
% van het bbp) als van de andere ontvangsten (0,2 % van het bbp), die
voornamelijk toenemen als gevolg van betalingen door financiële
instellingen ingevolge de interventies van de Staat tijdens de
financiële crisis.
|
TABEL 9
Evolutie
ontvangsten |
|
Als % bbp |
2009 |
2010 |
|
Totale ontvangsten |
48,1 |
48,9 |
|
Fiscale en parafiscale
ontvangsten |
45,2 |
45,7 |
|
Directe belastingen
|
15,2 |
15,6 |
|
Gezinnen |
12,5 |
12,7 |
|
Bedrijven |
2,7 |
2,9 |
|
Andere sectoren |
0,1 |
0,0 |
|
Indirecte belastingen
|
12,6 |
12,9 |
|
Kapitaalbelastingen |
0,7 |
0,7 |
|
Sociale bijdragen |
16,8 |
16,5 |
|
Andere |
2,9 |
3,2 |
De toename van de directe belastingen van de
gezinnen is toe te schrijven aan de afschaffing op het niveau van het
Vlaams Gewest van de in 2007 ingevoerde forfaitaire vermindering en het
feit dat de kohieren personenbelasting een beperkter negatief saldo
vertonen dan in 2010. De invloed op de ontvangsten van beide elementen
werd slechts gedeeltelijk gecompenseerd door de impact van het op niveau
van de federale overheid genomen maatregelen ter vermindering van de
fiscale druk.
De ontvangsten aan vennootschapsbelastingen
herstelden zich enigszins na het crisisjaar 2009, maar blijven toch
lager dan het peil dat ze hiervoor bereikt hadden.
De toename van het gewicht van de indirecte
belastingen in 2010 is onder meer toe te schrijven aan de gunstige
ontwikkeling van de private consumptie en de aanzienlijke stijging van
de ontvangsten aan accijnzen ingevolge het kliksysteem op diesel.
De interventies in de financiële sector brengen
extra rentelasten mee aangezien de kapitaalparticipaties of de leningen
aan financiële instellingen die overheidssteun kregen gefinancierd
moesten worden. Waar in 2008 en 2009 het nettoresultaat, namelijk het
verschil tussen de vergoedingen die voortvloeien uit die interventies en
de desbetreffende rentelasten (buiten het fonds voor bescherming van de
deposito's) licht negatief was, werd in 2010 een positief resultaat
opgetekend van +252 miljoen EUR, of +0,1% van het bbp.
|
TABEL 10
Impact op het
vorderingensaldo van de tegemoetkomingen en de
staatswaarborgen aan financiële instellingen |
|
In mio EUR, tenzij anders
aangegeven |
2008 |
2009 |
2010 |
|
Dividenden |
53 |
121 |
192 |
|
Premies garanties |
25 |
508 |
682 |
|
Betaalde interesten |
-96 |
-655 |
-622 |
|
Andere |
-10 |
-7 |
0 |
|
Impact |
-27 |
-33 |
252 |
|
Impact als % bbp |
0,0 |
0,0 |
0,1 |
|
Beschermingsfonds voor
deposito's |
25 |
93 |
251 |
|
Bron: NBB, Verslag 2010,
Economische en financiële evolutie |
Sterke verbetering van het structureel saldo
Om de overheidsfinanciën duurzaam te saneren moet
het structureel vorderingensaldo absoluut worden teruggedrongen.
Volgens de methode van de Europese Commissie
inzake cyclische effecten, zou het structureel tekort zijn teruggebracht
van -3,4 % van het bbp in 2009 tot -2,6 % van het bbp in 2010, dus een
verbetering met 0,8%, in overeenstemming met de Europese vereisten. Daar
het economisch klimaat gunstiger is dan verwacht, werd de "output gap"
opwaarts herzien, waardoor de cyclische component toenam. Deze wordt op
1,4 % van het bbp geraamd. De niet-structurele maatregelen zijn goed
voor -0,1 % van het bbp.
Volgens de methode die het Europees Stelsel van
Centrale Banken (ESCB) heeft uitgewerkt, wordt het structureel tekort
geraamd op -3,5 % van het bbp in 2010 tegen -4,8 % van het bbp in 2009,
wat een verbetering is met 1,3 % van het bbp. Dit is bijna twee maal
hoger dan wat de Raad eist.
Het verschil tussen de resultaten uit beide
methodes ligt er voornamelijk in dat de ESCBmethode rekening houdt met
de samenstelling van de groei alsook met de specifieke cyclische
dynamiek van de verschillende belastinggrondslagen. De door de Europese
commissie gehanteerde methodologie gaat dan weer uit van een vaste
elasticiteit van ongeveer 51% om het structureel saldo te berekenen. We
gaven reeds eerder aan dat in 2010 de groei meer getrokken werd door de
buitenlandse vraag, die minder belastingontvangsten meebrengt. Hierdoor
valt het te begrijpen dat volgens de ESCB-methode het structureel saldo
sterker verbeterd is.
Algemeen gezien mag men dan ook besluiten dat
België de vereisten terzake voor 2010 nakomt.
Stoppen van het sneeuwbaleffect
Na twee opeenvolgende aanzienlijke stijgingen van
de schuldgraad, met 5,4 % van het bbp in 2008 en met 6,6 % van het bbp
in 2009 (enerzijds ingevolge de steunmaatregelen voor de financiële
sector ten belope van 6,35 % van het bbp en anderzijds door de
economische crisis waardoor het bbp behoorlijk is gedaald en de
overheidsfinanciën in belangrijke mate zijn verslechterd), is de toename
van de schuldgraad in 2010 duidelijk vertraagd.
Volgens de momenteel beschikbare informatie zou
België in 2010 een van de beperkste stijgingen van de overheidsschuld
hebben opgetekend binnen de eurozone, namelijk 0,6 % van het bbp,
waarvan 0,2 % van het bbp het gevolg is van de lening aan Griekenland in
het kader van het Europese steunmechanisme. In de eurozone steeg de
overheidsschuld gemiddeld met ongeveer 5 % van het bbp(2)
in 2010.
Grafiek 4: Toename van de overheidsschuld in
het eurogebied in 2010 (in % van het bbp)

Bron: Instituut voor de Nationale Rekeningen,
Europese Commissie (2010)
Dit resultaat betekent een sterke verbetering in
vergelijking met de aanvankelijke doelstellingen in het
stabiliteitsprogramma 2010 (100,6 % van het bbp), en dit ondanks de
lening aan Griekenland in het kader van het Europese steunplan voor dat
land (0,2 % van het bbp), die toen nog niet gepland was.
In 2010 nam het sneeuwbaleffect sterk af. Dit
blijkt uit het gecorrigeerd nominaal verschil(3),
dat sterk is gedaald (van 5,8 % in 2009 tot -0,1% in 2010), onder meer
dankzij de gevoelige herneming van conjunctuur en de daling van de
impliciete rentevoet. Het primaire saldo dat vereist is om de
schuldgraad te stabiliseren werd aldus sterk teruggedrongen (van 5,2 %
van het bbp in 2009 tot 0,2 % in 2010). Door deze merkelijke verbetering
van het primair saldo (van -2,3% van het bbp in 2009 naar -0,7% van het
bbp in 2010) wordt de stijging van de endogene schuldgraad aldus sterk
beperkt.
|
TABEL
11
Schuldgraad en zijn bepalende
factoren |
|
In % bbp |
|
Jaargemiddelden |
| |
2006 |
2007 |
2008 |
2009 |
2010 |
2006-2008 |
2009-2010 |
|
Verwezenlijkte schuldgraad |
88,1% |
84,2% |
89,6% |
96,2% |
96,8% |
87,3% |
96,5% |
|
Jaarlijks verschil (% bbp) |
-4,0% |
-3,9% |
5,4% |
6,6% |
0,6% |
-0,8% |
3,6% |
|
Vereist primair saldo (VPRS) |
-0,5% |
-0,6% |
1,4% |
5,2% |
0,2% |
0,1% |
2,7% |
|
Effectief primair saldo (EPRS) |
4,1% |
3,5% |
2,5% |
-2,3% |
-0,7% |
3,4% |
-1,5% |
|
(1) Endogene wijziging van de schuld (VPRS) - (EPRS)
|
-4,6% |
-4,1% |
-1,1% |
7,5% |
0,9% |
-3,3% |
4,2% |
|
(2) Verrichtingen buiten vorderingensaldo
|
0,6% |
0,2% |
6,5% |
-1,0% |
0,0% |
2,4% |
-0,5% |
|
Technische parameters |
|
|
|
|
|
|
|
|
Impliciete rentevoet "i" |
4,5% |
4,6% |
4,6% |
4,0% |
3,7% |
4,6% |
3,8% |
|
Nominale groei van het bbp "n"
|
5,1% |
5,3% |
3,0% |
-1,7% |
3,5% |
4,4% |
0,9% |
|
Reële groei van het bbp
|
2,7% |
2,9% |
1,0% |
-2,8% |
2,1% |
2,2% |
-0,3% |
|
Gecorrigeerd nominaal verschil "(i-n)/(1+n)"
|
-0,5% |
-0,7% |
1,6% |
5,8% |
-0,1% |
0,1% |
2,8% |
|
Bron: Instituut voor de Nationale Rekeningen
|
Deze zwakke toename is het resultaat van
gunstiger begrotingsresultaten, van een sterkere toename van het
nominale bbp, maar ook van een actief beheer van de overheidsschuld
onder meer via swapverrichtingen.
De Schatkist annuleerde inderdaad in het tweede
kwartaal van 2010 de renteswaps (receiver) die ze in 2009 was aangegaan
om haar gevoeligheid aan de kortetermijnrente te verhogen. Het ging om
een totaal notioneel bedrag van 15,0 miljard EUR. De sterk gedaalde
swaprente had de marktwaarde van die posities opgedreven, en de
schrapping van die swaps bracht dan ook in totaal 1,04 miljard EUR op
(0,30 % van het bbp). In diezelfde periode annuleerde de Schatkist
eveneens een aantal andere historische posities van hetzelfde type
(receiver swaps) voor een totaal notioneel bedrag van 7,0 miljard EUR.
Deze schrappingen brachten de Schatkist 1,12 miljard euro op (0,31% van
het bbp).
In totaal daalde de schuld bijgevolg met 2,16
miljard EUR of 0,61% van het bbp als gevolg van de schrappingen van de
swaps. Een deel van dat bedrag werd op het overheidstekort van 2010
toegerekend, maar het grootste deel wordt pas in 2011 en volgende
toegerekend, naar rato van de resterende looptijd van de geannuleerde
swaps.
De renteswaps hebben het overheidstekort
daarnaast nog in positieve zin beïnvloed omdat de ontvangen coupons
hoger waren dan de betaalde. Zo resulteerden de swaps die in 2009
aangegaan werden al in 2009 in een rentebesparing in economische termen
van 185,8 miljoen EUR. In 2010 liep die besparing op tot 395,97 miljoen
EUR.
(1)
Europese
Commissie (november 2010). (2) Europese Commissie (november, 2010)
(3) Het gecorrigeerd nominaal verschil is de
verhouding tussen enerzijds het verschil tussen de impliciete rentevoet
op de schuld en de nominale
groei van het bbp en anderzijds de nominale
groei van het bbp.
|